Nieuws

De Periodieke Gezondheidsonderzoeken gaan weer van start!

Een nieuw schooljaar is aangebroken. Dit betekent dat de Periodieke Gezondheidsonderzoeken ook weer van start gaan. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een medewerker van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en is voor alle kinderen in groep 2 en groep 7 van het basisonderwijs.

>> lees meer

Derde prik baarmoederhalskanker in oktober en november

Het Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond geeft in oktober en november weer vaccinaties tegen baarmoederhalskanker. Eind september krijgen alle meisjes die vorig jaar 12 werden hiervoor een uitnodiging.

>> lees meer

>> Nieuwsoverzicht

 

faalangst

Veel kinderen zijn bang om fouten te maken. Als een kind daar erg last van heeft, noemen we dat faalangst. Het heeft te maken met ‘moeten presteren en beoordeeld worden’. Bij faalangst is een kind erg angstig om fouten te maken op school, bij vriendjes en vriendinnetjes of bij de (sport)club. Kinderen kunnen bang zijn voor negatieve reacties van sommige klasgenoten, vriendjes of een leerkracht. Er zijn kinderen die bij spanning juist een goede prestatie kunnen leveren. Problemen komen pas als een kind angst heeft te zullen falen, bang is om af te gaan of te mislukken en een kind denkt:

“Het zal mij vast niet lukken…”
“Het moet nu echt goed gaan, want anders…”
“Ik schaam me zo als ik nu weer afga…”
“De leerkracht (klasgenoot) zal me wel weer te pakken nemen…”
“Ik ben ook zo’n domoor…”

Veel ouders weten niet dat hun kind zich op school zo geremd en verlegen gedraagt of juist brutaal. Kinderen praten er thuis ook niet graag over uit angst niet begrepen te worden. Dit betekent dat vaak de leerkracht/begeleider als eerste faalangst opmerkt. Kinderen reageren verschillend, vergelijk uw kind niet met kinderen van dezelfde leeftijd. Ieder kind ontwikkelt zich op een eigen manier en in een eigen tempo.

Begeleiding bij uitdagingen

Uw kind heeft ondersteuning nodig om te leren omgaan met uitdagingen. Het maken van een proefwerk of spreekbeurt is zo’n uitdaging. Bereid dit samen voor. Bespreek wat uw kind moet leren en overhoor uw kind. Laat uw kind hardop denken. Zo komt u erachter of uw kind logisch denkt of zo maar een antwoord geeft. U kunt tips geven en uw kind stimuleren om door te gaan. Zeg bijvoorbeeld: “Ik kan me voorstellen dat je dit antwoord geeft, het is bijna goed; probeer het nog eens”. Zo’n opmerking geeft uw kind vertrouwen. Uw kind zal nog eens rustig nadenken over het juiste antwoord. Zou u reageren door te zeggen: “Wat stom of dit is helemaal fout” dan versterkt u hiermee bij uw kind het gevoel van falen. Uw kind zal zich opgejaagd voelen en mogelijk een nieuw foutief antwoord verzinnen of niet meer durven.

Aandacht en aanmoediging

Schenk aandacht aan de dingen die goed gaan. Mislukt iets, stel uw kind dan gerust en moedig het aan. Bijvoorbeeld: uw kind komt thuis met een slecht rapport. Eerst schenkt u aandacht aan de positieve dingen, zoals de voldoendes op het rapport. Daarna kunt u met uw kind praten over de onvoldoendes. Hoe komt het? Wat gaat er mis? Hoe kan dit opgelost worden? Let daarbij op de toon waarop u tegen uw kind praat. Verwijtend praten of zelfs boos worden heeft geen zin en straffen ook niet. Het is beter om rustig te blijven. Probeer uw kind het gevoel te geven dat u wilt helpen zodat het volgende rapport er beter uitziet.

Iedereen maakt fouten

Faalangstige kinderen denken vaak dat zij de enige zijn die bang zijn om fouten te maken. Laat uw kind weten dat niemand perfect is: iedereen maakt fouten. Hoe eerder uw kind leert dat het fouten mág maken, hoe beter het kan omgaan met mislukkingen. Het is niet de bedoeling dat uw kind op de tenen moet lopen om aan uw of andermans verwachtingen te voldoen. Maak zelf ook eens een foutje. Voor uw kind is het prettig te zien dat u ook niet alles perfect doet.

Zelfvertrouwen

Een kind met faalangst kan in korte tijd veel negatieve eigenschappen van zichzelf opsommen en vindt het vaak veel moeilijker om een aantal positieve te noemen. Laat uw kind eens een aantal positieve eigenschappen van zichzelf opschrijven. Bijvoorbeeld: ik eet zonder morsen, ik kan voetballen en ik ben lief voor dieren. Op deze manier stimuleert u uw kind om met andere ogen naar zichzelf te kijken. Het krijgt daardoor meer zelfvertrouwen. Ook werkt het goed als u uw kind elke dag vraagt wat er die dag goed gegaan is. U kunt uw kind helpen door regelmatig een compliment te geven, bijvoorbeeld: “Wat heb je me goed geholpen of wat gezellig dat je meegaat boodschappen doen”.

Problemen

Door faalangst kunnen (school)prestaties achteruit gaan. Mocht dit bij uw kind gebeuren overleg dit dan met de leerkracht van uw kind. Ook andere oorzaken kunnen een rol spelen zoals scheiding, ziekte van de ouders of gepest worden. Mocht dit het geval zijn dan is het van belang dit met uw kind te bespreken en eventueel advies in te winnen van de leerkracht. Sommige kinderen zien niet dat de slechte schoolprestaties te maken hebben met de problemen. Zij denken dat ze totaal mislukt zijn en dat dit nooit meer goed komt. Leg ze uit dat het tijdelijk is en weer over gaat. Het is belangrijk hulp te zoeken als u merkt dat uw kind ook in andere situaties angstig wordt.